Afbeelding

Ruzie op de Nettelhorst

“In 1784 kreeg het huis Nettelhorst zoo al geen vermaardheid, dan toch groote bekendheid in den lande, door een ergerlijk voorval, dat er ter plaatse greep”, aldus Jacobus Craandijk in zijn geschrift; “Wandelingen door Nederland met pen en potlood,1876”.

Het incident haalt niet alleen de landelijke couranten, waaronder de patriottische Zuid-Hollandse Courant, maar is zelfs in een gravure vastgelegd. Wat gebeurde er?

Op de Nettelhorst wordt met Pasen 1784 een doopfeest gehouden, met kasteelheer van Heeckeren als trotse gastheer. Daar zijn ds. Abbink, burgemeester de Wolf en gemeentesecretaris Sölner van Lochem, allen Orangist in hart en nieren, bij aanwezig. Dat ds. Abbink het zoontje van baron van Heeckeren heeft gedoopt is niet naar de zin van de heftige patriot, ds. Langerak uit Laren. Nettelhorst ligt tenslotte in het kerspel Laren en niet in het kerspel Lochem, dus Langerak heeft enig recht van spreken.

Langerak komt, ongevraagd, tijdens het doopdiner op bezoek op de Nettelhorst en wordt vanzelfsprekend beleefd aan tafel uitgenodigd. Spoedig komt het echter tot een hevige ruzie, als de gastheer wil toosten op de gezondheid van de hertog van Brunswijk, voogd en raadgever van stadhouder Willem V. Het komt zelfs tot een gevecht, waarbij de Larense dominee op de grond wordt gegooid, geslagen en bedreigd met zijn eigen zakmes. De gastheer bijt de Larense dominee toe: “nu zal ik den donder met zijn eigen zakmes snijden dat hem de lappen van het lijf vliegen, die verdomde patriot”.

Het was voor de Lochemse adel dan ook een onvoorstelbare ontwikkeling. Patriotten geloven in gelijkheid. Hoe is dat mogelijk? God heeft iedereen zijn plaats in het leven gegeven: de standenmaatschappij. Daar mag je niet aan tornen, dat is Godslastering.

Toch moet de adel uiteindelijk het hoofd buigen. In 1795 worden de Lochemse adellijke lieden opgeroepen om in de Blauwe toren onder ede te verklaren dat ze de nieuwe staatsorde van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, aanhangen. Burger (sic) Van Nagell tot Ampsen onderneemt de zware gang naar de Blauwe Toren om daar in handen van een gewone ambstbode de eed af te leggen. De Van Keppels zeggen dat ze niets met Lochem te maken hebben, omdat ze onder Laren vallen. Van Heeckeren van Overlaer vraagt: “hem van de eed te excuseren, wijl hij bij verder zoeken van zijn fortuin daarin belet zal worden”. Van de andere drie van Heeckerens komt één niet opdagen, heeft één keelontsteking en de derde is ’s nachts onwel geworden. Na enkele datumverschuivingen wordt op 3 februari 1796 toch de eed afgelegd. Niet aan een ondergeschikte ambtenaar, maar aan een gelijke, namelijk. de officiële stadhouder van Gelre, mr. J.L. Sölner, met als bijzitters H.J. Thomasson en J. Hogeweg, provinciale schepenen. In de adellijke ogen was dat acceptabele gelijkheid.