Sporen

Zo zonovergoten hebben we het lang niet gehad. Een serie dagen op een rij, als een eiland in de tijd. Hondje Hazel en ik lopen in alle vroegte over zandgrond. We zijn nog niemand tegengekomen. Landgoed Ampsen heeft iets plechtigs, het voelt als een verhaal dat al eeuwen bezig is. Daar wandelen we zomaar in.

Langs een greppel met zwart, traag water snuffelt ze zich vooruit. Het is zo’n ochtend waarop alles nog moet beginnen. Dunne zon – daar is-ie weer, gelukkig –, aarzelende lucht. Verderop opent het bos zich in een kaal veldje. Daar zie ik hem. Of misschien zien we elkaar.

Een man met een lange jas – een beetje in boswachter-stijl. Hij staat stil, kijkt om zich heen alsof ie nergens naartoe hoeft. Hazel loopt op hem af, inspecteert hem snuffelend, lijkt te besluiten dat hij deugt. Ze huppelt een veld op. 

“Daar liep net een ree,” zegt de man, haar nawijzend. “Je moet geluk hebben. Het scheelt als je zonder hond loopt."

"Misschien is geluk niet alleen dat je het ree ziet," antwoord ik, "maar ook dat je het spoor nog kunt lezen." Ik klink wijsneuzerig. Hazel snuffelt intensief tussen het gras. 

We zeggen weinig. De zon klimt. De audio van het bos komt op gang. Ik had de indruk dat het al op volle sterkte wás, maar het gekwetter van vogels neemt toe in decibellen.

“Ik kom hier om te zien wat er nog is,” zegt de man. Hij zegt het zonder weemoed. Eerder als een constatering, die hij zelf ook nog werkelijk moet doorgronden. "Ik kwam hier als kind. Nu woon ik in het westen."

"En?" vraag ik.

"Het is nog hetzelfde," zegt hij. "Wel kleiner. Maar dat is misschien omdat ik groter ben."

Ik wil nog vragen of-ie op de bomen doelt, het hele bos – of misschien het landgoed. Maar Hazel rent ervan door. We nemen afscheid zonder gebaar. De man blijft achter, wordt langzaam onderdeel van het landschap.

Nóg een dag zon, het eiland in de tijd dijt uit. Ik leg er graag weer aan, om Licht, Lucht en Loomte te vangen. Minstens even heilzaam als de ouderwetse drie R'en.