Afbeelding

Liggen

Opinie

Caan uit Heesch stoomt voorbij. Het vrachtschip ligt diep in het water, dat golft door de wind – bij vlagen is het storm – die speelt met de oppervlakte. Hond Hazel en ik lopen van Lochem naar Almen. Via slingerwegen belanden we telkens weer op een pad langs het Twentekanaal.

Door mijn hoofd speelt een van de ontmoetingen die indruk maakte tijdens deze wandeling. Er was een man die van Laren naar Exel liep. ‘Het is nog geen vijftien kilometer,’ had hij gezegd, toen-ie zag hoe bedenkelijk ik keek. De rukwinden hadden toen al de kop op gestoken, dus ik vroeg hem wat de invloed van de bewegende lucht op zijn geest was, zo tijdens het lopen.

Zijn antwoord was onverwacht poëtisch geweest. ‘De wind is een onzichtbare gids,’ zei ie. ‘Hij woelt mijn gedachten los, als bladeren in de herfst. Hij neemt vastgeroeste gedachten mee, slingert ze op in spiralen, en waait ze vervolgens uit elkaar. Soms blaast hij helderheid binnen, alsof mijn hoofd een raam is dat open staat. Maar hij kan ook verwarring zaaien.’

Ik had ademloos naar hem staan luisteren, wat aantekeningen gemaakt van zijn uitspraken in het schriftje dat ik altijd meeneem. Daar had hij om moeten glimlachen. ‘Ik ben filosofisch ingesteld,’ had-ie gezegd. ‘Maar nog niet eerder schriftelijk geciteerd.’ 

We hadden vervolgens samen geconcludeerd dat de geest geen gesloten kamer is, maar eerder een veld, waar lucht en adem altijd vrij doorheen stromen – troebel of verhelderend, zacht of onstuimig – en dat juist die beweging ons mens maakt. Wederzijds verkwikt van geest waren we uiteengegaan, maar niet nadat we elkaar de hand hadden geschud. Ook had-ie Hazel nog uitgebreid aandacht gegeven, zij had zich bij uitzondering zonder tegenstribbelen door hem laten aaien.

De Calando uit Nijmegen ploegt langs, hij vaart in de tegenovergestelde richting van de zo-even gepasseerde Caan. Een man met een mondkap voor staat met een waterslang in zijn hand het zijdek af te spuiten. Hij steekt een arm in de lucht bij wijze van groet. Ik zwaai terug.

‘Wat een storm hè?’ Uit het niets is er een medewandelaar naast me verschenen. Dat is een bijeffect van de wind: door zijn geluid hoor je geen voetstappen naderen. ‘Ja,’ beaam ik, ‘we waaien helemaal schoon.’ En, daarna hoorde ik mezelf een vraag stellen die me zeer waarschijnlijk onbewust was ingefluisterd door de filosoof eerder vanmiddag. ‘Waar is de wind wanneer-ie is gaan liggen?’

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant