
Vliegend blauw
OpinieAf en toe is er opeens een. Zo’n winterdag waarop de zon schijnt, én waarop je tijd hebt om erin te lopen. Gouden momenten zijn dat. Hazel en ik zijn op pad. De oever van de Berkel wordt intensief besnuffeld, het lijkt of de lentegeuren voorzichtig weer naar boven komen. De hondenneus zuigt ze uit de grond. Of is het de plas van soortgenoten?
‘Goeiemiddag.’
‘Woef.’
Een visser staat, tegen een hek, een kop koffie te drinken uit een thermoskandop – voor Hazel doemt zijn stem op het niets.
‘Het is allemaal angst, meneer,’ hoor ik mezelf zeggen, ‘niets persoonlijks.’
‘Er zijn er meer zoals hij, of zij,’ zegt de man. ‘Ze lopen keurig met een boogje om me heen.’ Hij neemt een slok dampende koffie. Ik bekijk de hengels die hij heeft opgesteld langs de oever. ‘Waarom twee?’ vraag ik.
‘Dan is de kans groter dat ik wat vang,’ antwoordt-ie.
‘Waarom geen drie?’ Ik vind mijn nieuwsgierigheid irritant.
‘Dat is iets te veel werk,’ zegt de man. ‘Ik doe het voor mijn plezier.’
‘Vang je weleens iets stereo?’
De man schudt zijn hoofd.
Ik zie het beeld voor me, dat hij sprintjes trekt tussen de hengels die krom staan en niet weet welke hij het eerst moet ophalen. Wat een rustgevende hobby zou moeten zijn, mondt uit in een stresssituatie.
‘De vissen gooi ik weer terug,’ vertelt de man verder. ‘Het gaat me om het buiten zijn.’ Hij knijpt zijn ogen dicht en gebaart met zijn vrije arm naar de zon. ‘Dit soort dagen,’ zegt-ie, ‘dat zijn de beste.’ Hazel komt even aan zijn schoenen snuffelen.
‘Haar angst is snel over,’ zegt hij. ‘Ik ruik naar vis, dat vinden ze lekker.’
Een minuutje staan we woordeloos naast elkaar, onze gezichten naar de zon gericht, als vlindervleugels in de ruststand.
‘Vandaag zag ik al vier ijsvogeltjes langskomen,’ zegt-ie dan. ‘Die vliegen hard hoor, je ziet een straal blauw over het water scheren.’
‘Geweldig,’ zeg ik. En dat ik dat ook wel zou willen. Ik neem me hardop voor een poosje langs de kant te gaan zitten, verderop. ‘Je moet wel verdraaid goed opletten,’ zegt de man, ‘ze zijn voorbij voor je het weet.’
Op dat moment galoppeert mijn viervoeter rakelings langs ons heen.
‘Zoiets als dit exemplaar,’ mompel ik.
De visser lacht. ‘Nog veel sneller.’










